Home   Contact  
Architect Visie Projecten Samenwerking Nieuws

Mariske Pemmelaar-Groot baseert haar manier van werken op de karakteristiek van de plek of het gebied. Met respect voor de natuur als leefmilieu voor mens, dier en plant. Vanuit de specifieke uitgangspunten voor de plek zoekt zij naar structurele invalshoeken die de eigenheid van het ontwerp zullen bepalen. De werkwijze is gericht op beeldende probleemverkenningen en doelgerichte analyses met heldere ruimtelijke oplossingen als resultaat.

‘luisteren naar het landschap, naar de plek’

Bij het ontwerp van de Yazatuin in tuinarchitectenpark Makeblijde (1999-2000) vormde het aangrenzende landschap van lijnvormige elementen zoals de popolierenlaan, de haag en de spoorlijn, met zo nu en dan een flits van een gele trein, de achtergrond voor de taferelen in de tuin. De ruggengraat van de tuin wordt gevormd door de meditatiesteen en de wilgentenenwand met meditatievlonder en afdak.

‘het oude landschap basis voor het nieuwe’

Het ontwerp voor Het Twiske (1971-1990) grijpt terug op de landschappelijke situatie die bestond voor de inpoldering van een deel van Waterland. Het eens zo karakteristieke, grillige legakkerpatroon heeft het uitgangspunt bepaald voor het nieuwe recreatielandschap. Het is echter geen kopie van het vroegere Waterlandse veenlandschap geworden. Het gewenste gebruik heeft geleid tot een eigen vormgeving waarin een verbond tussen nieuwe natuur en recreatie tot stand is gebracht.
187019601990


‘ontwerp op ontwerp’

Het intact laten van de ruimtelijke structuur van de Maarsseveense Plassen zoals deze door Hans Warnau in 1958 is ontworpen vormt de basis voor het ontwerp van het waterspeeleiland (1994). In de vormgeving van het eiland is bewust gezocht naar een heel eigen afwijkende vormentaal. Het eiland in de vorm van een puzzelstuk, ligt herkenbaar over de oude structuur heen.

‘niets doen’

Het Vondelpark moest in de toekomst als lusthof worden veilig gesteld (1992), zonder het door iedere Amsterdammer zo gewaardeerde beeld aan te tasten: ‘niets doen’ leek het advies. Dit zou echter tot verval leiden. Juist dat doen wat nodig is om de bevolking het gevoel te geven dat er niets gebeurt, was de opgave.